UvA-onderzoek onder 31.000 scholieren: meerderheid wijst genderneutrale wc's en Paarse Vrijdag af
Het ministerie van OCW liet de UvA vragen wat scholieren van gendernormen op school vinden. Op de brede vraag naar tolerantie scoort de acceptatie hoog — bij elke concrete schoolmaatregel die genderidentiteit institutionaliseert, keert een meerderheid zich juist tegen.

In opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderzocht de Universiteit van Amsterdam hoe ruim 31.000 Nederlandse middelbare scholieren aankijken tegen seksuele diversiteit en genderexpressie. Het persbericht van 24 maart 2026 werd in de media vooral gelezen als bewijs van tolerantie: een meerderheid vindt dat iedereen gelijkwaardig is, ongeacht op wie je verliefd wordt. Wie de cijfers over concrete schoolpraktijken erbij pakt, ziet een ander beeld: bij vrijwel elke maatregel die genderidentiteit zichtbaar en verplicht in het klaslokaal brengt, is de meerderheid tegen.
Het onderzoek in cijfers
De UvA combineerde twee datasets: een steekproef van 1.656 leerlingen uit 2024 en een langjarige reeks van 30.120 leerlingen over de periode 2021-2024. Op de brede vraag naar gelijkwaardigheid scoort de tolerantie hoog: 59% vindt dat iedereen gelijkwaardig is ongeacht seksuele voorkeur en 65% vindt dat jongeren zelf mogen bepalen op wie ze verliefd worden. Op de vragen die niet over houden van gaan maar over instituties — school, taal, beleid — draait het beeld om. 61% is het oneens met genderneutrale toiletten op school, 54% onderschrijft de stelling dat geslacht vastligt vanaf de geboorte, en bij Paarse Vrijdag wijst 41% de dag af tegenover 32% dat instemt.
Twee vragen, twee uitkomsten
Het verschil tussen beide uitkomsten is de kern van de zaak. "Mag iemand houden van wie hij wil" is een vraag over verdraagzaamheid, en daar scoort de Nederlandse scholier hoog op — dat spoort met decennia acceptatie-onderzoek. "Moet de school genderneutrale toiletten invoeren" of "moet iedereen meedoen aan Paarse Vrijdag" is een andere vraag: die vraagt of leerlingen een instrument van beleid onderschrijven waarmee de kernclaim dat genderidentiteit boven het lichaam gaat praktisch wordt gemaakt. Scholieren blijken die twee vragen scherp uit elkaar te houden, ook al worden ze in het onderwijsbeleid vaak als hetzelfde onderwerp behandeld.
Scholen doen het toch
Het onderscheid dat leerlingen zelf maken, is in het schoolbeleid niet terug te vinden. Paarse Vrijdag is een vast onderdeel van de jaarkalender op duizenden scholen en genderneutrale toiletten worden in nieuwbouw en verbouwing inmiddels standaard meegenomen, vaak zonder dat leerlingen of ouders daar iets over te zeggen hebben gehad. Genderopschool.nl zette op een rij welke praktische en principiële bezwaren daarbij spelen — bezwaren die met deze cijfers een stuk minder marginaal blijken dan schoolbesturen vaak suggereren.
Wat dit onthult over de institutionele klem
Dat een overheidsopdracht-onderzoek deze uitkomst oplevert en het ministerie er vervolgens geen consequenties aan verbindt, is illustratief voor hoe instituties met tegenvallende cijfers omgaan: het tolerantie-percentage haalt de persberichten, het weerstand-percentage verdwijnt in de bijlage. Zo ontstaat een beleidspraktijk die zich beroept op draagvlak dat er voor de kernmaatregelen niet is. Dat patroon — instemming met de brede norm, weerstand tegen de concrete uitwerking, en beleid dat toch doorzet — is precies wat eerdere analyses van lesmateriaal en genderleer in de klas al signaleerden, en het past in de bredere mars door de instituties die deze site in kaart brengt: niet door overtuiging van onderop, maar door beleid dat vooruitloopt op — en soms tegen — de mening van de mensen voor wie het bedoeld is.
Voor de school betekent dit geen vrijbrief om onderwerpen als transgender-leerlingen of pesten te negeren; de brede tolerantie-cijfers zijn daarvoor te robuust. Het betekent wel dat de aanname dat leerlingen unaniem achter elk instrument van het genderbeleid staan, met dit onderzoek zelf wordt weerlegd — door de partij die het liet uitvoeren.
Wat hier ontbreekt, is een schoolbestuur of ministerie dat de tegenstelling in de eigen cijfers hardop benoemt en er beleidsconsequenties aan verbindt. Zolang dat uitblijft, blijft de kloof tussen wat leerlingen aangeven te vinden en wat scholen als vanzelfsprekend beleid voeren, onbesproken — en groeit het risico dat draagvlak wordt verondersteld waar het niet blijkt te bestaan. Een eerlijker gebruik van dit soort onderzoek zou beide uitkomsten naast elkaar publiceren, in plaats van alleen het cijfer dat het beleid legitimeert.