Zorg

Gendertwijfels bij jongeren zijn later vaak weg: wat de UMCG-cijfers wel en niet zeggen

Het UMCG meldde dat de wens om van het andere geslacht te zijn bij jongeren met de jaren vaak afneemt. Wat die uitkomst wel en niet zegt over de genderzorg, blijkt pas uit de cijfers zelf.

Gendertwijfels bij jongeren zijn later vaak weg: wat de UMCG-cijfers wel en niet zeggen

Het UMCG publiceerde in maart 2024 onderzoek met een geruststellende boodschap: de wens om van het andere geslacht te zijn neemt bij jongeren met de jaren af en is op latere leeftijd vaak verdwenen (bron). Het UMCG presenteerde de bevinding als geruststellend: het hoort bij de puberteit om vragen en twijfels over je gender te hebben. Wie de cijfers zelf leest, ziet dat ze een genuanceerder beeld geven dan de kop doet vermoeden, en dat ze weinig zeggen over de vraag welke zorg jongeren in een genderkliniek nodig hebben.

Het onderzoek is gepubliceerd in Archives of Sexual Behavior door Pien Rawee, Judith Rosmalen, Luuk Kalverdijk en Sarah Burke, op basis van TRAILS, een langlopend cohortonderzoek dat in 2001 begon; de onderzoekers gebruikten gegevens van 2.772 jongeren uit zowel een bevolkingscohort als een klinisch cohort (bron). Op zes meetmomenten — bij 11, 13, 16, 19, 22 en ongeveer 25 jaar — werd gevraagd in hoeverre de deelnemers instemden met de stelling "Ik wil van het andere geslacht zijn". Op 11-jarige leeftijd stemt 11 procent hiermee in; rond 25-jarige leeftijd is dat nog 4 procent. Negentien procent van de deelnemers vormde een groep met een afnemend verloop: zij gaven in de vroege puberteit aan van het andere geslacht te willen zijn, maar op ongeveer 25-jarige leeftijd niet meer. Slechts drie deelnemers, 0,1 procent — één op de duizend — gaven dit bij vrijwel elke meting aan (bron).

Onderzoeker Sarah Burke vat de bevindingen zo samen: "Het hoort bij de puberteit en de ontwikkeling om vragen en twijfels over je gender te hebben. Het is belangrijk dat we dit normaliseren." Die boodschap is op zichzelf niet onredelijk. Het UMCG voegt eraan toe dat goede zorg voor jongeren met genderverwante vragen onverminderd belangrijk blijft (bron).

Wat de cijfers wel en niet laten zien, is belangrijk. Dat de wens om van het andere geslacht te zijn bij veel jongeren afneemt, zegt iets over jongeren in de brede groep. Het zegt niet automatisch iets over jongeren die zich bij een genderkliniek aanmelden, en de studie meet niet wat er met of zonder zorg gebeurt. De cijfers laten bovendien ook een kleine groep zien bij wie de wens juist toeneemt (2 procent), en rond 25-jarige leeftijd gaf nog 4 procent aan van het andere geslacht te willen zijn (bron). Het is daarom te kort door te stellen dat vrijwel alle gendertwijfel vanzelf verdwijnt. Wel is het een reden voor zorgvuldigheid: omdat de wens bij veel jongeren afneemt, past terughoudendheid bij vroege, ingrijpende stappen en aandacht voor wat er bij een individuele jongere speelt. De Gezondheidsraad wijst er in 2026 op dat de groep die zich aanmeldt is veranderd, met meer jongeren met een non-binaire genderidentiteit, jongeren die pas later genderdysforie ervaren en jongeren met bijkomende problematiek, en vraagt om onderzoek met populaties die een goede afspiegeling zijn van de groep die zich recent aanmeldt (bron).

De TRAILS-data laten ook zien dat de wens om van het andere geslacht te zijn samenhangt met meer psychische klachten en een negatiever zelfbeeld; het UMCG noemt dit zelf in zijn bericht (bron). Een samenhang zegt niets over oorzaak en gevolg, maar het onderstreept dat bij jongeren met genderverwante vragen ook aandacht nodig is voor hun psychische gezondheid.

De cijfers zijn helder, maar ze komen uit een bevolkingscohort en een klinisch cohort en niet uit de genderzorg, en ze beantwoorden de vraag welke zorg jongeren nodig hebben niet. Wie alleen de kop leest, mist daardoor de nuance: de wens neemt bij veel jongeren af, maar niet bij iedereen, en gaat vaker samen met psychische problemen.