Eurostar schaft het verschil tussen mannen en vrouwen af — per uniform
Eurostar introduceerde een 'genderneutraal' uniform voor treinpersoneel zonder aparte mannen- en vrouwenkleding. Het artikel betoogt dat dit bedrijfsbeleid geen bestaand probleem oplost maar deel uitmaakt van een bredere ideologische agenda die als marketing wordt ingezet.

In oktober 2025 presenteerde Eurostar met trots een nieuw uniform voor het treinpersoneel: volledig 'genderneutraal'. Geen mannen- en vrouwenlijn meer, maar één collectie waaruit iedereen vrij kan kiezen. In de bijbehorende communicatie werd het besluit gepresenteerd als vooruitgang: modern, inclusief, passend bij 'wie je bent'.
Op het eerste gezicht: wat maakt het uit? Als een steward een rok wil en een stewardess een broek, moet dat vooral kunnen — en dat kon in de meeste kledingreglementen al lang. Maar daar gaat dit niet om. De nieuwswaarde zat in de framing: Eurostar scháfte de categorieën af. Niet 'iedereen mag kiezen wat past', maar 'wij erkennen het onderscheid niet langer'. Dat is een ideologische stellingname, verpakt als HR-beleid — en precies daarom stuurde het bedrijf er een persbericht over uit.
Eurostar staat niet alleen. Luchtvaartmaatschappijen, banken en warenhuizen kondigden de afgelopen jaren vergelijkbare stappen aan: genderneutrale uniformen, genderneutrale aanspreekvormen ('beste reizigers' mag, 'dames en heren' niet meer), genderneutrale speelgoedafdelingen. Het patroon is steeds hetzelfde: de aanleiding is nooit een probleem van klanten of personeel, maar een diversiteitsagenda die om zichtbare resultaten vraagt; de wijziging wordt breed uitgemeten in persberichten en campagnes; kritiek wordt weggezet als ouderwets.
Laten we precies zijn. Dat kledingvoorschriften flexibeler worden, is prima; knellende regels over rokken en hakken verdwenen terecht. Maar de sprong van 'flexibele regels' naar 'geslacht bestaat niet in onze garderobe' is een categorie-fout. Mannen en vrouwen bestaan, hebben gemiddeld andere maten en pasvorm nodig, en de overgrote meerderheid van het personeel identificeert zich gewoon als man of vrouw. Een uniformlijn die dat gegeven principieel negeert, dient geen enkele werknemer beter.
Dat is de vraag die bij elk van deze berichten gesteld moet worden — en vrijwel nooit gesteld wordt. Was er personeel dat niet kon dragen wat het wilde? Dan was een regelwijziging van twee zinnen genoeg geweest, zonder persbericht. De keuze om er een campagne van te maken verraadt het werkelijke doel: het bedrijf wil gezien worden als deelnemer aan de juiste beweging.
Een uniform zonder geslacht lost geen probleem op dat bestond. Als een vervoersbedrijf een claim verspreidt dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen achterhaald is — met werknemers als wandelende reclamezuil — is dat geen mode, maar propaganda in bedrijfskleding.