2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders: wat telt het CBS mee?
Het CBS meldde op 11 oktober 2024 dat 18 procent van de Nederlanders van 15 jaar en ouder, ongeveer 2,7 miljoen mensen, LHBTQIA is. Dit artikel onderzoekt wat die brede categorie omvat en hoe de definitiekeuzes het getal bepalen.

Het getal: 2,7 miljoen LHBTQIA-personen in Nederland
In oktober 2024 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek een opvallend cijfer: 18 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder, ongeveer 2,7 miljoen mensen, is LHBTQIA (bron). Het CBS is immers het CBS — een gezaghebbende overheidsinstelling die nuchter feiten presenteert.
Maar is dit een feit? Of is het een getal dat ontstaat door een reeks methodologische keuzes die volledig onzichtbaar blijven zodra je alleen de kop leest?
Wat telt het CBS eigenlijk?
Het acroniem LHBTQIA+ staat voor Lesbisch, Homoseksueel, Biseksueel, Transgender, Queer, Intersekse, Aseksueel — plus een plusje voor alles wat niet in de vorige letters past. Dat klinkt als één herkenbare gemeenschap, maar het gaat in werkelijkheid om heel verschillende dimensies die op één hoop worden gegooid.
L, H en B gaan over seksuele aantrekking tot mensen van hetzelfde of beide geslachten. T gaat over genderidentiteit — of iemand zich identificeert als het andere geslacht of als geen van beide. Q ('queer') is een brede, diffuse categorie die van alles kan betekenen: afwijken van heteroseksuele normen, politieke betrokkenheid rond seksuele diversiteit, of simpelweg 'anders voelen dan de norm'. I staat voor intersekse: mensen met aangeboren variaties in geslachtskenmerken. Dit is een lichamelijke toestand, geen seksuele oriëntatie of genderidentiteit. A staat voor aseksueel: weinig tot geen seksuele aantrekking. Ook dit heeft niets te maken met sekse of genderidentiteit in de zin waarop de rest van het acroniem dat heeft.
Door al deze categorieën samen te nemen meet je geen afgebakende populatie maar een optelsom van sterk verschillende groepen. Het CBS vroeg in de Veiligheidsmonitor 2023 (182 duizend respondenten) niet of mensen zichzelf als LHBTQIA+ beschouwen, maar naar genderidentiteit, naar seksuele aantrekking en naar intersekse (bron). Het getal 2,7 miljoen is daarmee niet zozeer een meting van iets bestaands, als wel een rechtstreeks gevolg van hoe breed je de definitie trekt.
Het intersekse-probleem
Intersekse-variaties — zoals chromosoomafwijkingen, atypische hormoonniveaus of anatomische variaties — worden door sommige onderzoekers geschat op 1,7 procent van de bevolking. Dat cijfer is afkomstig van de Amerikaanse bioloog Anne Fausto-Sterling uit 2000 en wordt sindsdien breed geciteerd. Maar het is ook diep omstreden: het hanteert een uitzonderlijk brede definitie die ook mensen meetelt die zelf nooit weten dat zij een variatie hebben en er geen enkele hinder van ondervinden. L. Sax kwam in 2002 op ongeveer 0,018 procent, wanneer intersekse wordt beperkt tot condities waarbij het chromosomale geslacht niet overeenkomt met het lichamelijke, of waarbij het lichaam niet als mannelijk of vrouwelijk is in te delen (bron). Het verschil: een factor honderd.
Volgens het CBS zijn ongeveer 45 duizend mensen van 15 jaar en ouder intersekse; het CBS telt hen mee in het totaal van 2,7 miljoen (bron). Dat zij in hetzelfde totaalcijfer worden meegeteld als mensen met een bepaalde seksuele aantrekking of genderidentiteit, is een keuze.
Vergelijking met andere landen
In de Verenigde Staten identificeerde in 2023 7,6 procent van de volwassenen zichzelf als LGBTQ+, volgens een peiling van Gallup waarin mensen werd gevraagd of zij zichzelf heteroseksueel, lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender of iets anders noemen (bron). Dat cijfer is niet zonder meer vergelijkbaar met dat van het CBS, dat niet naar zelfidentificatie vroeg maar naar seksuele aantrekking, genderidentiteit en intersekse. Het CBS telt bovendien 1,7 miljoen bi-plus personen, ruim de helft van het totaal (bron).
Die uitleg ligt voor de hand: het CBS telt anders, en breder. Maar dat breed tellen heeft grote consequenties voor hoe het getal gelezen en ingezet wordt.
Waarom het getal ertoe doet
Cijfers zijn nooit neutraal, zeker niet als ze afkomstig zijn van een instituut als het CBS. Een getal van 2,7 miljoen LHBTQIA-Nederlanders heeft directe politieke werking. Het geeft gewicht aan beleidsargumenten over de omvang van discriminatie, de noodzaak van specifieke zorg, de schaalgrootte van voorzieningen en de prioritering van budgetten. Hoe groter de groep, hoe urgenter de agenda — en hoe moeilijker het is om vragen te stellen zonder verdacht te worden van vijandigheid jegens de groep zelf.
Dat mechanisme is precies wat deze statistiek zo effectief maakt als politiek instrument. Wie het getal bekritiseert, bekritiseert ogenschijnlijk de mensen die erachter schuilen. Maar wie de methodologie bekritiseert, bekritiseert een keuze die het CBS zelf heeft gemaakt — en die transparant had moeten zijn.
Wat zegt de wetenschap over dit soort metingen?
Bevolkingsonderzoeken naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit zijn notoir lastig. Definitieproblemen, sociale wenselijkheid, sterke leeftijdseffecten (jongere generaties identificeren zich veel vaker als LGBT), en de toenemende politisering van zelfidentificatie-categorieën maken betrouwbare metingen moeilijk. Serieuze onderzoekers benadrukken dan ook dat getallen als deze altijd contextueel zijn: zij meten niet hoe groot een groep 'is', maar hoeveel mensen op een specifiek moment, op een specifieke vraag, op een specifieke manier antwoorden.
Het CBS verwijst bij het nieuwsbericht naar een artikel waarin de methode, de sterke punten en de tekortkomingen van de schatting worden besproken (bron).
Conclusie: het getal als instrument
Niemand betwist dat lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen volwaardige burgers zijn die recht hebben op gelijke behandeling en goede zorg. Dat staat volledig los van de vraag of 18 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder in enige betekenisvolle zin LHBTQIA+ is.
Het getal van 2,7 miljoen telt zeer verschillende groepen samen: 1,7 miljoen bi-plus personen, 272 duizend homoseksuele mannen, 106 duizend lesbische vrouwen en kleinere groepen (bron). Wie het getal gebruikt, doet er goed aan te zeggen wat erin zit.